Back
Creators Cultural organisations Individuals

SYMPOSIUM: The studio as a compositional tool

Scroll

Powered by Tinc ondersteunde van 4-8 oktober een residentie en symposium van Het Concreet. Beide initiatieven zijn gevestigd bij Dock Zuid, een thuishaven voor muziek. De analoge studio van Het Concreet stond centraal. Resident Aafke Romeijn maakte in drie dagen tijd kennis met – voor haar – een andere manier van makerschap in muziek. Anna van der Kruis schreef een essay over deze dag en Seye Cadmus documenteerde in foto’s.

De lezing

De plek van handeling is Dock Zuid in Tilburg. Jasper van den Dobbelsteen is er net gestart als kwartiermaker. “Ik ben nog aan het uitvinden wat het is,” zegt hij. Ik ben hier met twintig, dertig andere mensen. We zitten op bierbanken in de studio van Het Concreet. Achter mij zijn zelfs een paar mensen bovenop een orgel gaan zitten. Om ons heen mengpanelen, kastjes, knopjes, draadjes en snoertjes. Een piano. Lappen stof, isolatieschuim, perzische tapijten. Schemerlampen. Kasten vol boeken, cassettes met handgeschreven labels. Een serie polaroids op een deur. “Dit is het,” zegt Jasper. “Mensen. Werk. Opslag. Een keuken. Een kantoor. Het gaat allemaal over maken. Met en voor muzikanten. Om leren, inspireren en delen.” Die opdracht neemt Het Concreet vanmiddag aan.

Zakelijk leider Anneroos Goosen introduceert zichzelf, Mathijn den Duijf en Mathijs Leeuwis. Zij vormen samen Het Concreet. Tussen alle apparatuur, in het licht van een kleine blauwe spot zit Aafke Romeijn – coltrui, jasje, hoge blonde paardenstaart. Aafke is schrijver en popmuzikant en was een week in residentie in de studio. Voordat we haar werk gaan horen geeft Anneroos het woord aan Anthony Fiumara. Hij is componist en muziekjournalist en geeft voor Het Concreet een lezing over de studio als instrument of ‘compositional tool’ zoals Brian Eno het in 1979 noemde.

Eno was medeverantwoordelijk voor de sound van de Britse Talking Heads, U2 en Ultravox en is een belangrijke speler in de ontwikkeling van ambient. In zijn dagboek omschrijft hij zichzelf als zoogdier, vader, artiest, beroemdheid, pragmatist, computer-gebruiker, geïnterviewde en ‘drifting clarifyer’. Of, iets compacter, als non-musician. Zijn ideeën zijn ook nu nog relevant. Voor de uitvinding van tape kon je muziek niet anders dan live ervaren. “Een symfonie van Beethoven hoorde je met een beetje geluk één keer,” zegt Anthony, “misschien twee of drie keer in je leven.” Kerkmuziek onderging je in de kerk. Concertmuziek in een concertgebouw. Nog geen honderd jaar later is muziek overal. Los van tijd en plek. Details krijgen een compleet andere betekenis omdat je ze opnieuw en opnieuw kan afspelen.

In de jaren veertig kon er mono opgenomen worden. Eén track in een take (zonder edits). Midden jaren vijftig werd dat stereo. Twee sporen. Geluid zoals we het gewend waren te horen, met twee oren. In de jaren zestig kwamen er geluidsbanden waar meer sporen tegelijk op pasten. Vier, zes, vierentwintig, tweeënveertig of zelfs zestig. Elk instrument kon op een eigen spoor opgenomen worden. De mix werd belangrijk. Iemand die zijn tandenpoetste kon bij wijze van spreken even hard klinken als iemand op drums en door sporen over elkaar heen te leggen had je geen orkest meer nodig, je werd als je wilde een one-man-band.

En dan toont Anthony ons voorbeelden. Op twee na allemaal vrouw. Hij zegt dat digitalisering en de studio als instrument bij uitstek geschikt is voor emancipatie, het is niet meer nodig om een rijke witte man te zijn met voldoende middelen om ertoe te doen. Ik denk aan mezelf als veertienjarige, verliefd op een techneut. Aan de blauwe synthesizer die hij kreeg voor zijn verjaardag. De zakken in zijn legerbroek die vol zaten met gereedschap, de boxen die hij zelf gebouwd had en de zilverkleurige duct-tape waarmee alles wat stuk was gerepareerd kon worden. Ik denk aan hoe zuinig hij was op zijn oren. Hoe ik danste op drum ‘n bass en hij propjes wc-papier in zijn oren stopte. Hoe hij daarvoor zelfs een keer naar de eerste hulp moest, omdat ze er niet meer uit wilden.

Steve Reich nam in 1965 de basis voor zijn track It’s gonna rain op. Brother Walter, straatpredikant in San Fancisco waarschuwt voorbijgangers voor de zondvloed, in ritmisch, lyrisch Amerikaans. Reich maakt een loop van deze drie woorden. In de opname zit een verrassing, er vliegt een duif op. Het flappen van de vleugels klinkt bij herhaling als de wieken van een helikopter. Het is de tijd van de Cuba crisis en de wereld zal ten onder gaan. Éliane Radique werkt met een ARP 2500. We kijken naar haar op  Vimeo. Ze ratelt in het Frans, maar zegt dan plots: “ik zal stoppen met praten”. Ze begint aan de knoppen te draaien. Het materiaal waarmee ze werkt is geen melodie maar geluid. Puur geluid en hoe het ene geluid op het andere reageert. Wat voor feedback er ontstaat. De camera zoomt uit. Achter haar, op tafel, strekt een kat zich uit.

Suzanne Ciani. Katherine Aurelia Smith. Het is een complete wereld met een eigen taal, met wetten en regels waar ik nog nooit van had gehoord. Het is de focus die me raakt. Het moment van maken en hoe de volheid van de wereld buiten door deze focus verdwijnt. Er bestaan alleen nog maar kastjes en knopjes en draadjes en een bepaalde beweging in mij die emoties oproept, herinneringen. Caterina Barbieri noemt het “a very closed system of rules”. Haar eigen grammatica. Ze noemt het een proces waarin zij zelf groeit. Waarin ze verandert terwijl het geluid verandert. “De canon van de elektronische muziek zal geschreven worden door vrouwen,” besluit Anthony. En: “de ontwikkeling van muziek is niet lineair. Het is een delta.”

De resident

Aafke Romeijn heeft altijd muziek in haar hoofd. Van de analoge techniek, zoals ze bij Het Concreet gebruiken, wist ze niets. Ze maakte vijf loops van drie bars, of drie noten, op de piano en het orgel. Oneven getallen. Dat is ongebruikelijk in de muziek. Er wordt vaak gewerkt met ronde getallen, twee, vier of acht. Bij een priemgetal voelt het automatisch alsof je een sprongetje maakt. Er ontstaat vanzelf een hoekje, een haakje. Ze staat aan het mengpaneel. Vijf stukken tape zijn in de ruimte bevestigd aan statieven. Daarmee experimenteert ze. Ze maakte reverbs (elektronische galm) en delays (vertragingen). Elke loop heeft zijn eigen kwaliteit. Zijn eigen karakter.

Af en toe hoor ik een zakker in de tape. Een korte vervorming. Het voelt als een lift die daalt. Je hart in je maag. Als iets fysieks. Het zet me terug in de tijd. De techniek van de tape, de cassettebandjes die ik vroeger maakte. Opnemen, vooruitspoelen, terugspoelen. Ik ben opnieuw veertien, of misschien twaalf. Het melodietje uit Aafke’s hoofd draagt daaraan bij. Het is luchtig, een simpel loopje op een piano. Maar door wat ze live doet, deze twintig minuten, de herhaling, de effecten en de vertraging krijgt het tegelijkertijd iets ongrijpbaars. Als een herinnering is die niet meer terug te halen valt. Losgezongen van de tijd die er ooit bij hoorde. Een andere melodie klinkt als een ambulance. Raast voorbij. Alsof iets wegglipt wat ik vast wil houden.

Het gesprek

We verhuizen naar het tegenoverliggende gebouw. Een ruimte met hoge ramen waardoor veel licht naar binnen valt. Er zijn deuren naar opnamestudio’s, een prikbord met aankondigingen en een grote keuken. Hier zit Powered by TINC. Zij organiseren vanmiddag de TINC Table Talk. Rogier Telderman heet ons welkom. Hij zegt dat we allemaal een ander perspectief hebben, dat geen enkel perspectief juist is of dat elk perspectief dat is en dat hij het daarom interessant vind onze perspectieven tijdens een Table Talk de delen. We zitten in een kring. “Als er veel mensen luisteren,” zegt hij, “kunnen we een ander gesprek voeren.”

Anneroos opent de tafel met Aafke, Anthony en Mathijn. Ze zegt dat ze niet weet of ze Mathijn aan ons voor moet stellen als componist, analogue gearhead of tech nerd. Mathijn lacht en zegt: “Alledrie.” Hij vertelt dat zijn apparatuur zich aan de rechterkant van de studio bevindt. Dat het ooit in twee ruimtes stond en dat de samenvoeging, in Het Concreet, een compleet nieuwe situatie opgeleverd heeft. Een nieuw instrumentarium. Dat hij toen hij dat zag niet kon wachten om ermee te spelen. “Wat ik doe als componist,” zegt hij, “is reageren, niets ligt op voorhand vast. De machine verwerkt wat ik erin stop. Opnieuw en opnieuw en opnieuw.” Het woord oscilleren valt. Ik zoek het thuis op. De betekenis volgens Wikipedia: trillen, vibreren, slingeren, schommelen, schudden, balanceren, rondzingen. “Het kan voor altijd doorgaan,” zegt Mathijn. “Uiteindelijk moet je kiezen. Componeren is keuzes maken. Combinaties van keuzes. Een serie kleine ideeën, in een loop.”

Er ontstaat gesprek over het verschil tussen de studio als instrument en traditionele instrumenten. “Ze zijn niet bedoeld als instrument,” zegt iemand. “Een boom is ook niet bedoeld als instrument,” zegt Anthony, “maar we kunnen er wel een cello van maken. Varkensdarmen zijn nooit bedoeld om geluidstrillingen voort te brengen, toch gebruiken we ze zo, als snaren. Hetzelfde geldt voor onze studio. Om virtuoos te worden op machines zoals deze, moet je oefenen. Veel oefenen.”

Aafke vertelt dat ze nooit virtuoos wilde worden op een instrument, ondanks haar klassieke scholing aan het conservatorium. Ze had niet de interesse om bijvoorbeeld de piano te beheersen. Wat ze in haar hoofd hoort, zijn fragmenten, geen symfonieën. Het is altijd maar een klein deel van een groter verhaal. Uiteindelijk gaat ze aan het werk met mensen, anderen. Ze spelen, maken fouten. Die fouten gebruikt ze. Ze schrijft dingen op, past iets aan, voegt iets toe, werkt met wat ze al gedefinieerd heeft. Ze is eraan gewend dat ze alles zestig keer terug kan luisteren. Dat gaat niet met tape, je kan er niet doorheen skippen. “Het maakt bijna nederig,” zegt ze, “terug te keren naar pre-digitale manieren van componeren. Alsof je een spier gebruikt die ongeoefend is.” Anneroos koppelt de woorden van Aafke aan de woorden van Caterina Barbieri die we hoorden tijdens de lezing van Anthony. “Zij creëert een systeem van regels en daarna neemt de machine het over. Het materiaal nodigt haar uit een stap terug te doen als componist. De tape maakt nederig, inderdaad.”

Mathijn vertelt dat hij werkt zonder verwachtingen. Zonder stijl. Zijn muziek houdt zich niet aan regels, zoals bijvoorbeeld de barrok, de reggae of de jazz. Hij gebruikt wat hij wil. Klassieke instrumenten. Field recordings. Iemand vraagt zich af of het werk niet toch bij een sound of een traditie aansluit. “In de jaren zestig en zeventig gebruikten ze alleen tape,” zegt Mathijn, “dat was een soort dogma, dat is waarom je het direct herkent.” Zo werkt hij ook, maar niet uitsluitend.

We spreken over de kwaliteit van de performance. Hoe het zou zijn om te werken met enkel live-opnames. Het plezier dat Antony heeft in de optredens met Mathijs als Poulson Sq. De “tape-hickups” waarvan hij is gaan houden. Anneroos vertelt over de vergankelijkheid van het materiaal. Hoe het elke keer dat je het afspeelt een beetje sterft. Mathijn vult aan, hij zegt dat hij denkt dat het die vergankelijkheid is die ons raakt, omdat we allemaal uit trillingen bestaan.

Iemand vraagt wat we zoeken tijdens het componeren. Schoonheid? Aafke antwoord dat ze zoekt naar een sfeer die resoneert. De soundtrack van een film die er niet is. Dat klopt met wat ik voelde. Ze vertelt dat ze gefascineerd is door leegstaande winkelcentra in Amerika. Plekken waar ooit veel gebeurde, veel beweging was. Waarvan je weet dat ze zullen verdwijnen. Die paradox vindt ze mooi. Ze zegt dat ze altijd zes dingen tegelijk doet. Terwijl ze componeert is ze ook met haar telefoon bezig en de zorg voor haar dochter, de kat die ze eten moet geven, ondertussen checkt ze haar news feed. Haar aandachtsspanne is kort, zelfs tijdens live optredens betrapt ze zichzelf erop dat ze afdwaalt. Dat was mooi aan deze ervaring. Dat ze erbij moest blijven.

Tijdens de borrel praat ik met iemand over schrijven. Ik vertel over een van mijn docenten die me ooit complimenteerde met een beeld. Ze had haar feedback op een postkaart geschreven, waardoor ik het onthield. Niet veel later vond ik in een boek dat ik tijdens mijn studie las precies die woorden. Ik had ze onderstreept omdat ik ze mooi vond. Zonder me ervan bewust te zijn, had ik ze letterlijk gereproduceerd. Als ik ‘s nachts in bed lig, half wakker omdat ik de volgende ochtend een vliegtuig wil halen, denk ik erover na. Wat we allemaal tegelijk doen. Wat we maken. Over de woorden in mijn hoofd, van wie die eigenlijk zijn? Zijn onze ideeën origineel of is alles een sample? Is er een begin en een eind of zijn er alleen eindeloos veel vertakkingen? Bestaat alles uit losse stukjes tape?

De auteur

Anna van der Kruis studeerde in 2003 af aan de schrijfopleiding in Utrecht en werkte als theatermaker bij diverse productiehuizen en festivals. In 2022 verschijnt haar eerste boek 821 mensen die er ook toe doen. Daarnaast coacht ze jonge muzikanten en choreografen en helpt lokaal en internationaal talent hun stem te vinden in de dans-schrijfcursus Dans&Durf/Dance&Dare van Domein voor Kunstkritiek en DansBrabant. In opdracht van Powered by TINC schoof Anna aan bij het SYMPOSIUM: The studio as a compositional tool, Het Concreet x Dock Zuid x Aafke Romeijn.